Onderzoek

Uit Informatiegeletterd

Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

[bewerken] IT-gebruik algemeen

Eén van de opvallende resultaten is het beperkt gebruik van ICT door leerkrachten in de les. In de DS Online stond hierover een artikel.

[bewerken] ICT-indicatoren bij huishoudens en individuen (2005-2010)

Jaarlijkse enquëte over bezit en gebruik van computer, internet, e-commerce, e-government, soort verbinding, ... in Belgische gezinnen.

Website


[bewerken] Internet access and use (Eurostat)

Dit onderzoek geeft cijfergegevens over het internet gebruik in Europa.

[bewerken] 2010

Enkele conclusies:

  • Het aantal Europese gezinnen met toegang tot het internet steeg in het eerste kwart van 2010 tot 70% (ter vergelijking: 49% in 2006). Deze stijging was het opmerkelijkst in Bulgarije, Tsjechië, Griekenland, Hongarije en Slovakije, waar het gebruik verdubbelde. Koplopers in 2010 waren Nederland (91%), Luxemburg (90%), Zweden (88%) en Denemarken (86%). De laagste aantallen werden gemeten in Bulgarije (33%), Roemenië (42%) en Griekenland (46%). België scoort met 73% slechts middelmatig.
  • Het aantal Europese gezinnen met een breedbandconnectie verdubbelde van 30% in 2006 tot 61% in 2010. De Scandinavische landen voeren deze lijst aan, met Denemarken (80%) en Finland (76%), gevolgd door Duitsland (75%). In Roemenië (23%), Bulgarije (26%) en Griekenland (41%) is breedbandinternet nog het minst doorgebroken. In België telde men 70% van de gezinnen met een breedbandverbinding.
  • Opmerkelijk is ook dat gezinnen met kinderen vaker toegang hebben tot internet dan andere (gemiddeld 84% tegenover 65%). In Nederland en Finland was het percentage internettoegang in huishoudens met kinderen 99%. In België hebben 89% van de gezinnen met kinderen toegang tot internet, tegenover 67% van de gezinnen zonder kinderen.
  • Bijna elke Europeaan die toegang heeft tot internet maakt gebruik van e-mail (90%). Er is op dit gebied geen opmerkelijk verschil in leeftijden te bemerken. In België bijvoorbeeld gebruikt 95% van de leeftijdsgroep 16-24 gebruik van mail, 93% van de groep 25-54 en 92% van de groep 55-74.
  • Wat betreft de participatie aan sociale media (blogs, sociale netwerken, chat), speelt de leeftijd van de internetgebruiker wel een rol. 80% van de jonge internetgebruikers in Europa is actief op web 2.0 platformen, tegenover slechts 20% van de leeftijdsgroep 55-74. De cijfers voor België: 70% bij 16-24, 35% bij 25-54, 19% bij 55-74. De Belgische jongeren bevinden zich in de kelder van de rangschikking. Enkel Letland (69 procent), Ierland (64 procent) en Roemenië (61 procent) scoren slechter dan de Belgische jongeren. Nederland en Polen voeren de rangschikking aan. In Nederland is 91 procent van de jongeren actief op sociale netwerken. In Polen is dat zelfs 94 procent.
  • Het gebruik van internettelefonie en videogesprekken neemt eveneens af met de leeftijd (1/3 bij 16-24, 1/4 bij 25-54 en 1/5 bij 55-74). In Belgiê bleken 35% van de leeftijdsgroep 16-24 deze tools te gebruiken, tegenover 24% bij 25-54 en slechts 20% van de 55-74-jarigen.


Overzicht statistieken

Samenvatting

[bewerken] 2009

Enkele conclusies:

  • 65% van de Europese gezinnen had in het eerste kwartaal van 2009 toegang tot internet (tegenover 60% in 2008). Dit varieerde van 30% in Bulgarije tot 90% in Nederland. België scoort net iets beter dan het Europese gemiddelde, met 67% (tegenover 64% in 2008).
  • 56% van de Europese gezinnen had een breedbandverbinding met het internet (tegenover 49% in 2008). In België was dat 63% (tegenover 60% in 2008).
  • 73% van de Europese jongeren (16-24)gebruiken in 2009 het internet bijna dagelijks (tegenover 50% in 2008). België situeert zich met 77% weer net boven het gemiddelde, maar nog ver weg van koploper Nederland (90%).

Overzicht statistieken

[bewerken] ICT en cultuurparticipatie

Het Instituut Samenleving en Technologie (voormalig Viwta) voerde een onderzoek naar ICT en cultuurparticipatie. Hoe kan ICT een rol spelen als instrument voor cultuurparticipatie? De eerste onderzoeksvraag betreft creatieve voorbeelden uit binnen- en buitenland waarbij ICT aangewend wordt als instrument voor verbreding, verdieping, en vernieuwing. De tweede vraag omvat een analyse van de visie, houding en verwachtingen van Vlaamse culturele instellingen ten opzichte van e-cultuur. De derde onderzoeksvraag richt zich op de drempels die de Vlaamse culturele instellingen ondervinden en hoe deze drempels geëffend kunnen worden.

Publicatie "ICT en cultuurparticipatie"

[bewerken] IT-gebruik kinderen en jongeren

[bewerken] Multimodal Literacies in the Early Years

Het onderzoeksproject 'Multimodal Literacies in the Early Years' ging dieper in op wat het precies betekent voor jonge kinderen om 'geletterd' te zijn in onze hedendaagse mediarijke wereld. Het onderzoek werd gesponsord door de Economic and Social Research Council (ESRC), en werd geleid door Dr Rosie Flewitt, met Dr Sylvia Wolfe (University of Cambridge) als Research Associate.

Enkele bevindingen:

  • De meeste kinderen komen van al zeer jong in contact met een heel gamma aan media, als deel van hun dagdagelijkse activiteiten thuis en op school. Deze media omvatten niet enkel boeken, strips en schrijfgerief, maar ook pc's, gsm's, game consoles en speelgoed met een zekere mate van AI.
  • Er werd een 'digitale kloof' vastgesteld tussen de onderzochte kinderen, waarbij een deel gecompliceerde vaardigheden ontwikkelden, terwijl anderen de noodzakelijke skills en vertrouwen ontbeerden om met de nieuwe technologiën om te gaan.

[bewerken] EU Kids Online

EU Kids Online is een vergelijkend onderzoek m.b.t. de ervaringen van Europese kinderen op internet, met de nadruk op hun online activiteiten, de gevaren en veiligheidsaspecten. Ook België neemt deel aan dit project.

[bewerken] Einstein bestaat niet. Over usability en surfgedrag van kinderen

Dit rapport vloeit voort uit een samenwerking tussen ‘Digivaardig & Digibewust’ en ‘Mijn Kind Online’. Digivaardig & Digibewust is een gezamenlijk programma van de overheid, het bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties. Zij ontplooien onder meer tal van activiteiten die ervoor moeten zorgen dat kinderen en jongeren veilig, effectief en succesvol gebruik kunnen maken van internet. De stichting Mijn Kind Online draagt de kwaliteitsverbetering van websites voor kinderen en jongeren hoog in het vaandel. De samenwerking tussen deze twee organisaties heeft geleid tot nieuw onderzoek naar het surfgedrag van jongeren en de usability (gebruiksvriendelijkheid) van jongerensites.

De onderzoeksresultaten kunnen op verschillende manieren gebruikt worden. Ze geven marketeers inzicht in het surfgedrag van tieners tussen 12 en 18 jaar, ze helpen bedrijven en organisaties om nóg betere websites te creëren, en ze helpen ouders en leerkrachten bij hun taken als internet-opvoeders.

[bewerken] Reports and safety on the internet: the perspective of European Children

This project centres on a cross-national survey of European children's experiences of the internet, focusing on uses, activities, risks and safety. It also maps parents' experiences, practices and concerns regarding their children's online risk and safety.

[bewerken] Trust Online: Young Adult's Evaluation of Web Content (2010)

Onderzoekers van de Northwestern University (VS) onderzochten hoe studenten omgaan met het web en webcontent, en hoe het gesteld is met hun digitale geletterdheid en informatievaardigheden.

[bewerken] Onderzoek Apestaartjaren

Apestaartjaren is het project over Jongeren en Nieuwe media van Jeugdwerknet vzw. Om de twee jaar voeren ze samen met het IBBT-MICT een onderzoek naar het bezit en gebruik van nieuwe media bij kinderen en jongeren. De resultaten worden voorgesteld op een studiedag. Dit onderzoek is voornamelijk indicatief, d.w.z. dat het nieuwe trends poogt op te sporen.

[bewerken] NL Kids Online

In Nederland, maar ook elders, verkennen jongeren intensief de mogelijkheden van internet. Deze verkenning begint overal op steeds jongere leeftijd. Jongeren krijgen te maken met zowel de positieve als de negatieve kanten van internet. Dit rapport bestudeert de aangeboden kansen en risico's van online activiteiten en komt met aanbevelingen hoe we positief gebruik kunnen stimuleren en de risico's beperken. NL Kids online is gebaseerd op de belangrijkste rapporten van het EU Kids online project. Dit project is gesubsidieerd door het Safer Internet Programme van de EU, wordt gecoördineerd door de London School of Economics en er zijn vertegenwoordigers uit 21 Europese landen in het netwerk actief. De belangrijkste uitkomsten worden hier beschreven met Nederland als referentieland.

[bewerken] Digitale kloof

[bewerken] Mediageletterdheid in een digitale wereld

Onderzoek uit 2011 naar 5 aspecten van mediageletterdheid, op basis van de SCV-survey (Sociaal-culturele verschuivingen in Vlaanderen) van 2010.

Enkele interessante cijfers:

  • Bijna elke Vlaming van 18 jaar en ouder heeft een televisie in huis en gebruikt deze minstens maandelijks (98%).
  • Ook een radiotoestel (98%) en een gsm of smartphone (93%) is in bijna ieder huisgezin aanwezig, maar het maandelijks thuisgebruik ligt iets lager (bijna 90%).
  • Bij drie volwassenen op vier is er een computer (77%) en een internetaansluiting (75%) aanwezig, ongeveer 7% van de Vlamingen gebruikt deze beschikbare ICT niet maandelijks. De kloof tussen hoog- en laaggeschoolden verkleint niet voor computerbezit, voor algemeen computergebruik, voor het hebben van een internetaansluiting en voor het algemeen internetgebruik. Ook hier is er bij de koplopers een hoge penetratiegraad, maar de laaggeschoolden blijven van 2005 tot 2010 zo goed als ter plaatse trappelen.
  • Een spelconsole is heel wat minder populair: 33% van de Vlamingen bezit een spelconsole en slechts 15% gebruikt dit toestel minstens maandelijks.
  • 43% van de respondenten zegt over een krant te beschikken in huis en 41% van de Vlamingen leest minstens één keer per maand deze beschikbare krant.
  • Het bezit en het algemeen gebruik verwijzen naar de kloof van de eerste graad. Volgens van Dijk (2003) zal deze inderdaad wat verkleinen over de tijd, maar de media zullen tegelijkertijd de sociale ongelijkheid blijven versterken omdat de kloof van de tweede graad zal toenemen. We zien inderdaad dat de kloof in de breedte van het internetgebruik toegenomen is van 2007 tot 2010 voor de leeftijd en het opleidingsniveau.
  • Enerzijds blijkt de kloof voor het bezit en het algemene gebruik wat verkleind te zijn en deze voor de breedte van de gebruikte internettoepassingen wat vergroot. De resultaten duiden anderzijds op een gevaar van een te eenzijdige gerichtheid op de kloof van de tweede graad: sommige bevolkingsgroepen trappelen al enkele jaren ter plaatse wat hun bezit en gebruik van de computer en het internet betreft.
  • Voor de digitale media is het duidelijk dat de kloof zowel verdiept als verbreedt. De gsm, de computer, de internetaansluiting en de spelconsole zijn minder vaak te vinden in de huishoudens van ouderen. Wanneer er wel een dergelijk toestel in huis is, zijn het opnieuw de ouderen die er minder gebruik van maken.
  • De kloof volgens geslacht verdiept voor de computer en het internet. Mannen beschikken vaker over deze media en wanneer ze er over beschikken, gebruiken ze deze ook vaker. De kans dat een man de computer of het internet gebruikt, is groter dan dat een vrouw dat doet. Verder gebruiken de mannen ook meer internettoepassingen en dit onafhankelijk van de toegang (iDTV, gsm of internetaansluiting).
  • De kloof verdiept voor de radio, de gsm, de computer en de internetaansluiting van bezit naar thuisgebruik van het toestel in functie van de opleiding. Voor de gsm en het internet verdiept de kloof ook van algemeen gebruik naar aantal gebruikte toepassingen. Voor televisie is er voor het bezit een omgekeerde kloof: terwijl elke bevolkingsgroep goed voorzien is van een televisie, is de kans op het bezit van een televisie groter bij de laaggeschoolden. Er is ook geen verdere kloof voor de televisie. Verder is de kans dat men in het voorbije kwartaal een krant las, ook groter bij de hooggeschoolden.
  • De kloof verdiept voor de gsm, de computer en de internetaansluiting van bezit naar thuisgebruik van het toestel in functie van het inkomen. Voor het internet verdiept de kloof ook van algemeen gebruik naar het aantal gebruikte internettoepassingen. Verder is de kans dat men in het voorbije kwartaal een krant las, naar de radio luisterde of de spelconsole gebruikte, groter bij de personen uit gezinnen met een inkomen van minstens 2000 euro.

Onderzoeksrapport

[bewerken] B-Project: Digitale Kloof

De onderzoeksvraag van dit onderzoek van de Universiteit Antwerpen rond de digitale kloof staat volledig in het teken van deze bezorgdheid: hoe moeten de overheden in Vlaanderen zich in hun (elektronische) dienstverlening optimaal inzetten om de kwetsbare doelgroepen maximaal te bereiken?

De digitale relatie van de overheden met deze doelgroepen is een uitdrukkelijke aandachtspunt. De onderzoeksvraag refereert met ‘de overheden in Vlaanderen’ doelbewust aan de verschillende overheidsniveaus. Lokale overheden vormen immers een belangrijke schakel in alle inspanningen rond de digitale kloof, omdat net zij dicht bij de burger staan.

Dit onderzoek concentreert zich op twee grote doelstellingen. Enerzijds bevat het een beleidsevaluerende component, anderzijds wil het via case studies ook de strategische doelstellingen vormgeven die optimale dienstverlening aan alle doelgroepen maximaliseert. Via de identificatie van kritische succesfactoren worden strategische beleidsaanbevelingen geformuleerd.

De opbouw van het onderzoek kent een sterke empirische inslag. Er worden vier case studies bij frontlijnorganisaties in Vlaanderen uitgevoerd: De Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling (VDAB), het Agentschap Zorg en Gezondheid, de Vlaamse infolijn 1700 en als ‘lokale’ case een OCMW. Buitenlandse cases moeten best practices rond e-government en kwetsbare doelgroepen identificeren, die dan een vertaling naar de Vlaamse context krijgen.

Begin 2011 werd in het kader van dit onderzoek het rapport 'De digitale kloof en e-government in Vlaanderen. Uitdagingen voor een inclusieve dienstverlening' gepubliceerd.

[bewerken] Digitale kloof tweede graad in Vlaanderen

De doelstelling van deze studie uit 2010 was drieledig: 1. een kritische analyse van recente en vernieuwende inzichten in wetenschappelijk onderzoek in binnen- en buitenland omtrent het sociale fenomeen ‘digitale kloof’; 2. een zinvolle inventarisatie van digitale inclusie-initiatieven in Vlaanderen; 3. een probleemidentificerende en probleemoplossende brainstormoefening met stakeholders uit het Vlaamse werkveld met het oog op beleidsrelevante aandachtspunten.

Op basis van deze studie formuleerde het IST aanbevelingen voor het Vlaams Parlement.

Naast het onderzoeksrapport is er ook een overzichtskaart van alle digitale inclusie initiatieven die hebben meegewerkt aan inventarisatie-oefening. Op deze interactieve kaart kunt u voor Vlaanderen te weten komen waar er zulke initiatieven gelegen zijn en welke er in uw buurt te vinden zijn.

Op basis van het onderzoeksrapport werd er ook een IST-dossier gemaakt voor het ruimere publiek.

[bewerken] Digitale kloof in Vlaanderen

De Studiedienst van de Vlaamse regering onderzocht in 2007 het bestaan en de verklaring voor de digitale kloof in Vlaanderen. Hierbij werd gebruik gemaakt van de resultaten van de enquête over culturele verschuivingen in houdingen en gedragingen van Vlamingen (18-85 jaar).

SVR-Rapport door Marie-Anne Moreas

[bewerken] Offline jongeren en de digitale kloof

De Fondation Travail- Université (FTU) voerde op vraag van de Federale POD Maatschappelijke Integratie een onderzoek door, in het kader van het nationaal actieplan ter bestrijding van de digitale kloof. Dit onderzoek werd uitgevoerd bij jongeren (16-25 jaar) die geen gebruik maken van het internet en jongeren die het internet slechts af en toe of zeer beperkt gebruiken, ook wel 'offline' jongeren genoemd.

Omdat offline jongeren binnen hun generatie veruit in de minderheid zijn, zijn ze bijzonder kwetsbaar voor marginalisering of uitsluiting. Hun risico op uitsluiting is tastbaar in de vier grote domeinen die het nationaal actieplan ter bestrijding van de digitale kloof in aanmerking neemt:

  • werkgelegenheid
  • opleiding en beroepsontwikkeling
  • de toegang tot online informatie en diensten
  • deelname aan nieuwe vormen van communicatie en uitwisseling; en de deelname aan het culturele en maatschappelijke leven

PDF-versie van het eind verslag

Powerpoint presentatie over het rapport, inclusief aanbevelingen

[bewerken] K-point

K-point is een onderzoeksgroep van K.H.Kempen, die zich inzet op de kruising van ICT, inclusie en kansengroepen.

Ze werken actief mee aan diverse projecten rond e-inclusie, zoals INCLUSO.

Website K-point

[bewerken] Een actietheoretisch model voor ICT-acceptatie: de VAT-methodiek

'Profiling the non-user: Rethinking policy initiatives stimulating ICT acceptance' is een artikel van Pieter Verdegem en Pascal Verhoest (MICT, Universiteit Gent), over beleidsacties in het kader van ICT, op basis van zowel kwantitatief als kwalitatief onderzoek naar het profiel van non-gebruikers op vlak van vaardigheden (V), attitudes (A) en toegang (T).

Artikel

Onderzoek - VAT: een geïntegreerde benadering voor de aanpak van de digitale kloof.

Er is een groeiende impact van ICT op het dagelijkse leven. De digitale kloof wordt steeds dieper. Pieter Verdegem stelt in deze presentatie een profileringsinstrument voor om niet-gebruikers te onderscheiden. Groepen en individuen met een gelijkaardig VAT-profiel kunnen hierdoor geïdentificeerd en bereikt worden. Beleidsmaatregelen kunnen meer doelgericht toegepast worden en zullen effectiever zijn.

Presentatie

[bewerken] Digital divide, social inclusion and exclusion

Digital divide, social inclusion and exclusion' - research projects for the Federal Science Policy Office (2008-2010) and the Federal Ministry for Social Integration (2007-2008)

Fondation Travail-Université

Website research projects

Ontwikkeling van digitale vaardigheden en verkleining van ongelijkheden. Een verkenning van de digitale kloof van de tweede graad.

Studie uitgevoerd in opdracht van de Minister Christian Dupont voor de Programmatorische Overheidsdienst Maatschappelijke Integratie, door het Onderzoekscentrum Arbeid en Technologie van de vzw Fondation Travail-Université (Namen).

PDF-versie van het onderzoeksrapport

[bewerken] Kansarmoede en technologie

Het Instituut Samenleving en Technologie (voormalig Viwta)heeft in 2006 dit thema uitgebreid verkend. Of het nu gaat om toegang tot financiële diensten (bankkaarten, selfbanking, …), communicatie (gsm, internet,…), geneeskundige verzorging (keuze van therapieën, inschatten van medicatie,…) of meer banale zaken als huisvesting, verwarming, mobiliteit, kansarmen worden steeds vaker geconfronteerd met technologische componenten waar ze moeilijk mee overweg kunnen. Op die manier kan technologie een extra rem vormen op de maatschappelijke integratie van kansarmen. Anderzijds bieden technologie en technologische ontwikkeling ook mogelijkheden tot integratie, mits technologieontwikkelaars de behoeften van deze doelgroep kennen en er rekening mee houden. Het project ‘Aan de onderkant van de technologische samenleving. Kansarmoede en technologie’ wil enerzijds een inventaris opstellen van zowel de belemmeringen als de opportuniteiten die technologische ontwikkeling kan hebben voor kansarmen. Ook wil dit project de beleving en de omgang met technologie van kansarmen zelf schetsen, met een sterk oplossinggerichte aanpak. Welke mogelijkheden, opportuniteiten en oplossingen zien ze zelf, was de centrale vraag.

Publicatie "Armoede en technologie"

[bewerken] Informatiegeletterdheid

[bewerken] Project Information Literacy

Project Information Literacy is een nationale studie in de VS over studenten en de manier waarop ze informatie zoeken, hun vaardigheden en uitdagingen in onze hedendaagse digitale wereld.

De website van het project verzamelt recent onderzoek rond informatievaardigheden, interviews met onderzoekers, rapporten van het onderzoek zelf en video's rond gerelateerde thema's.

Website Project Information Literacy

[bewerken] The digital information seeker

The digital information seeker - Findings from selected OCLC, RIN and JISC user behaviour projects, is een verzameling van 12 studies in de VS en het VK, aangevraagd en/of ondersteund door non-profit organisaties en de overheid. Enkele studies gingen dieper in op informatienoden van onderzoekers, terwijl anderen eerder een algemeen doelpubliek voor ogen hadden. Deze 12 studies werden vervolgens door twee onderzoekers gebundeld in een rapport.

Enkele conclusies met betrekking tot de rol van bibliotheken en bibliotheeksystemen:

  • The library serves many constituencies, with different needs and behaviours.
  • Library systems must do better at providing seamless access to resources.
  • Librarians must increasingly consider a greater variety of digital formats and content.
  • More digital resources of all kinds are better
  • Library systems and content must be prepared for changing user behaviours.
  • Library systems need to look and function more like search engines, i.e., Google and Yahoo, and Web services, i.e., Amazon.com, since these are familiar to users who are comfortable and confident in using them.
  • High-quality metadata is becoming more important for discovery of appropriate resources.
  • The library must advertise its brand, its value, and its resources better within the community


[bewerken] How today's college students use Wikipedia for course-related research

Research paper by Alison J. Head and Michael B. Eisenberg

Findings are reported from student focus groups and a large–scale survey about how and why students (enrolled at six different U.S. colleges) use Wikipedia during the course–related research process. A majority of respondents frequently used Wikipedia for background information, but less often than they used other common resources, such as course readings and Google. Architecture, engineering, and science majors were more likely to use Wikipedia for course–related research than respondents in other majors. The findings suggest Wikipedia is used in combination with other information resources. Wikipedia meets the needs of college students because it offers a mixture of coverage, currency, convenience, and comprehensibility in a world where credibility is less of a given or an expectation from today’s students.

Article


[bewerken] Mediawijsheid

[bewerken] Vlaamse regionale indicatoren VRIND 2011

Jaarlijkse statistieken van de Studiedienst van de Vlaamse Regering.

Enkele bevindingen uit de publicatie van 2011 (over 2010):

Mediaparticipatie:

  • In 2010 heeft 98% van de Vlamingen ouder dan 18 jaar een televisietoestel en een radiotoestel in huis
  • Een gsm of een smartphone is beschikbaar bij 93% van de Vlamingen.
  • De computer en het internet hebben een vergelijkbare penetratie met een vast telefoontoestel: ongeveer driekwart van de Vlamingen hebben deze toestellen in huis.
  • De ‘gaming’-markt ontwikkelt zich geleidelijk van een nichemarkt tot een ‘mediamarkt naast de andere mediamarkten’. Een derde van de volwassen Vlamingen heeft momenteel een spelconsole in huis. Hierbij wordt geen rekening gehouden met de mensen die spelletjes spelen op hun pc, wat volgens de Interactive Software Federation de meest voorkomende vorm van gaming is in Europa.
  • Uit de Europese cijfers blijkt dat de computer, de internetaansluiting en de breedbandaansluiting beter verspreid zijn onder de Vlaamse huishoudens van de 16-tot 74-jarigen dan onder de Europese (EU27).
  • De penetratie van digitale televisie in het Vlaamse gezin is ook in het voorbije jaar sterk toegenomen. Tegen eind 2011 wordt verwacht dat 85% van de gezinnen digitaal kijkt (Dejonghe, schatting mei 2011).
  • De belangrijkste reden waarom mensen geen toegang tot het internet hebben blijft het gebrek aan interesse, al speelt deze reden een kleinere rol dan in 2008. De kostprijs van het materiaal of van de verbindingskosten zoals abonnements- of telefoonkosten (respectievelijk 24% en 22% in 2010) en het gebrek aan vaardigheden (33%) winnen aan belang. De kostprijs weegt in het Vlaamse Gewest iets minder door dan in de andere gewesten, de vaardigheden des te meer. De percentages voor de vier belangrijkste redenen in het Vlaamse Gewest verschillen weinig van de EU-gemiddelden.

Mediawijsheid:

  • Televisie is het meest populaire medium: dagelijks kijkt 81% van de Vlamingen ouder dan 18 jaar televisie en 16% kijkt niet dagelijks, maar wel wekelijks.
  • De radio en de gsm worden ongeveer in dezelfde mate gebruikt: respectievelijk 67% en 62% maakt er dagelijks gebruik van en iets minder dan 90% wekelijks.
  • De computer en de internetaansluiting worden door iets minder dan de helft van de Vlamingen dagelijks gebruikt en iets minder dan 70% maakt er wekelijks gebruik van.
  • De spelconsole wordt eerder sporadisch gebruikt: slechts 2% gebruikt dit toestel dagelijks en nog eens 7% wekelijks, maar niet dagelijks.
  • Ook de krant wordt meer sporadisch gebruikt. Driekwart van de Vlamingen las de krant in het voorbije kwartaal, maar voor 9% is het al langer dan 3 maanden geleden.
  • Het bezit en gebruik hangen bijgevolg niet voor al de media in dezelfde mate samen. De Vlaming heeft vaker de radio, de computer, de internetaansluiting maar vooral de spelconsole in zijn bezit dan dat hij er gebruik van maakt. Voor de krant is het omgekeerde het geval.

Mediavaardigheden

  • Het Vlaamse Gewest heeft geen benijdenswaardige positie in de EU. In 2009 waren er minder Vlamingen dan EU27-burgers met veel computervaardigheden en meer Vlamingen met weinig computervaardigheden. In 2010 wordt hetzelfde patroon teruggevonden voor de internetvaardigheden.

Gebruik van mediatoepassingen:

  • De cijfers geven aan dat de iDTV en de gsm zeer beperkt gebruikt worden in 2010: ongeveer 90% van de gsm- of de iDTV-gebruikers tegen 17% van de internetgebruikers gebruikt dit medium voor maximaal 3 van de 14 opgegeven categorieën van toepassingen.
  • Internet kent een breder gebruik.
  • Internet is voor bijna 7 op 10 Vlamingen en voor meer dan 8 op 10 Nederlanders en Zweden een informatiebron over goederen en diensten. Terwijl meer Vlamingen dan Europeanen (EU15 en EU27) in de laatste drie maanden online goederen en diensten opzochten, kopen minder Vlamingen dan Europeanen ook effectief iets aan via het internet. Het aandeel van de bevolking dat in de laatste 3 maanden online goederen of diensten voor privaat gebruik bestelde of kocht, steeg in het Vlaamse Gewest van 14% in 2008 tot 26% in 2010. 6 op 10 Britten doen online aankopen.
  • E-banking is ingeburgerd bij meer dan de helft van de Vlamingen.
  • Bijna 4 op 10 Vlamingen heeft in de laatste drie maanden naar informatie in verband met gezondheid gezocht, wat iets hoger is dan het Europese gemiddelde.
  • E-learning bereikt 44% van de Vlamingen, wat ongeveer overeenkomt met het Europese gemiddelde.

Digitale kloof:

  • Uit de SCV-survey blijkt dat anno 2010 er nog steeds een digitale kloof is voor het gebruik van de digitale media.
  • De kans dat de Vlaming van 18 jaar en ouder een mobiele telefoon, een computer, een internetaansluiting of een spelconsole gebruikte binnen de voorbije drie maanden is groter naarmate hij jonger is, als hij een zekere scholing heeft gehad en als hij een inkomen boven de 2000 euro heeft.
  • Mannen gebruiken vaker een pc, een internetaansluiting en een spelconsole dan vrouwen.
  • Voor de breedte van de gebruikte online toepassingen via de gsm en de internetaansluiting, komen grotendeels dezelfde verschillen terug. De jongere Vlaming, de man en de hoger geschoolde maken een breder gebruik van hun gsm en van hun internetaansluiting. Het inkomen blijft alleen relevant voor de breedte van het internetgebruik.


Volledig rapport

[bewerken] ICT-monitor

De Studiedienst van de Vlaamse Regering geeft met de nieuwe ICT-monitor een beeld van de beschikbaarheid van computers, internet en andere ICT-infrastructuur en van het effectieve gebruik ervan bij bedrijven en bij burgers. De situatie in het Vlaamse Gewest wordt vergeleken met andere Europese landen. Deze monitor is gebaseerd op de resultaten van de jaarlijkse Eurostat-enquêtes ‘ICT-gebruik en e-commerce bij bedrijven’ en ‘ICT-gebruik bij huishoudens en bij individuen’, die in België georganiseerd worden door de ‘Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie, FOD Economie, K.M.O., Middenstand en Energie (ADSEI)’. De ICT-monitor wordt door de Studiedienst tweejaarlijks opgesteld.

Enkele bevindingen uit de ICT-monitor 2010:

  • Als we kijken naar de huishoudens en de burgers dan scoort het Vlaamse Gewest in Europese context goed voor het bezit van een computer, een internetaansluiting en breedband alsook voor het computer- en internetgebruik in het algemeen en in de thuisomgeving. Voor het internetgebruik op het werk of in de onderwijsinstelling scoort het Vlaamse Gewest gemiddeld. Internetgebruik via een hotspot komt momenteel weinig voor. Verder is er in het Vlaamse Gewest een behoorlijke achterstand voor het gebruik van mobiele verbindingen via de gsm of de laptop.
  • Er zijn meer Vlamingen met ‘weinig computervaardigheden’ en minder Vlamingen met ‘veel computervaardigheden’ in vergelijking met de EU-15. Het aandeel van de Vlamingen dat in het voorbije jaar een computercursus volgde, is Europees gezien matig te noemen.
  • Voor het effectieve gebruik van ICT-applicaties doet het Vlaamse Gewest het in vergelijking met het Europese gemiddelde goed voor online communicatie, e-banking, online verkopen en sommige e-mediadiensten zoals het lezen of downloaden van kranten en tijdschriften of het downloaden of spelen van spelletjes, afbeeldingen en muziek. E-learning, e-government, het online aankopen van goederen of diensten, het opzoeken van gezondheidsinformatie, het downloaden van software, het uploaden van zelfgecreëerde inhoud en sommige e-mediadiensten zoals webradio en webtelevisie, abonnementen op nieuwsdiensten of –producten zijn (iets) minder populair in het Vlaamse Gewest dan in de EU15.
  • Om een koppositie in de informatiemaatschappij te bereiken tegen 2020, zijn de computervaardigheden van de Vlaming en het effectieve gebruik van internettoepassingen belangrijke aandachtspunten. Verder verschilt het internetgebruik over bevolkingsgroepen: zowel in de EU15 als in het Vlaamse Gewest gebruiken hooggeschoolden meer dan laaggeschoolden en jongeren meer dan ouderen de verschillende ICT-applicaties.


Rapport


[bewerken] Digimeter

Digimeter meet jaarlijks hoe het gesteld is met 'digitaal' Vlaanderen. Door de burgers te vragen naar hun mediabezit- en gebruik brengen we de ICT- en mediatrends in Vlaanderen in kaart. Alle verzamelde data wordt enkel gebruikt voor wetenschappelijk onderzoek en dus niet voor commerciële doeleinden.

[bewerken] ICT-monitor onderwijs

In 2007-2008 vond er een ICT-monitoring(MICTIVO) in het onderwijs plaats. Het MICTIVO project bracht de ICT-infrastructuur, competenties en percepties over het ICT-gebruik in scholen in kaart.

Rapport


[bewerken] EMSOC - User Empowerment in a Social Media Culture

Wat is de impact van sociale media op ons dagelijks leven? Gooien we op internet onze persoonlijke informatie zomaar te grabbel? Zijn we mediawijs genoeg om met sociale media om te gaan? Is de digitale kloof echt gedicht of versterken sociale media deze enkel maar? Een team van medewerkers van de Vrije Universiteit Brussel, Universiteit Gent en KULeuven zoeken naar antwoorden op deze maatschappelijke vragen. Van 2010 tot 2014 loopt dit IWT ondersteund onderzoek, alias EMSOC.

Om een antwoord te kunnen geven op de centrale onderzoeksvraag naar user (dis)empowerment in een sociale mediacultuur wordt vanuit drie subthema’s gewerkt: inclusie, mediageletterdheid en privacy.

[bewerken] Testing and Refining Criteria to Assess Media Literacy Levels in Europe

Dit onderzoek bouwt verder op een rapport van 2010 over het meten van mediageletterdheid. Het eindresultaat is een tool om mediageletterdheidniveaus beter te kunnen meten, als aanvulling op de statistieken van de Eurobarometer en Eurostat, die eerder gericht zijn op de toegang tot media en het bezig van technologie. Wat ontbreekt is of en hoe men gebruik maakt van bepaald tools, zoals een gsm of digitale tv, en daar wil de onderzoekstool in deze studie een antwoord op bieden. De enquête meet drie aspecten van mediageletterdheid:

  • "Use skills": het eigenlijke gebruik van de media (lezen van boeken, kranten, spelen van games, gebruik van internet, sturen van mails, ...)
  • "Critical Understanding": het kritisch omgaan met media (vertrouwen in diverse media, besef van invloed reclame, vaardigheid om kritisch zoekresultaten te evalueren, bewust van online privacy, ...)
  • "Communicative abilities": het inzetten van de tools voor content creatie (tekstuele en audiovisuele content kunnen creëren, kunnen reageren op forum- of blogbericht, gebruik van sociale netwerken, samenwerken in wiki, ...)

In een pilootstudie in 7 Europese landen in 2010 kwamen volgende gemiddelden naar boven:

  • Use skills
    • 16% with basic level
    • 50% with medium level
    • 35% with advanced level use skills
  • Critical understanding
    • 28% with basic level
    • 41% with medium level
    • 31% with advanced level critical understanding
  • Communicative abilities
    • 64% with basic level
    • 20% with medium level
    • 16% with advanced level communicative abilities

Op basis hiervan werden de Europese landen met elkaar vergeleken, en werden er drie groepen geïdentificeerd, op basis van de mediageletterdheidsniveaus van de inwoners. België bevindt zich hierbij in de middenmoot, terwijl Nederland en de Scandinavische landen het hoogst scoren.


[bewerken] Meten van mediawijsheid

In de afgelopen jaren zijn talrijke projecten ontwikkeld met als doel om de mediawijsheid van burgers te vergroten. Tot dusver was het lastig om de effectiviteit van deze projecten te bepalen, omdat het niveau van mediawijsheid nauwelijks werd gemeten. Daarom hebben 6 partnerorganisaties van Mediawijzer.net sinds juni 2010 gewerkt aan een antwoord op de vraag: ‘Wat is mediawijsheid en op welke wijze kan gemeten worden hoe mediawijs iemand is?’

Bij de beantwoording van de vraag is een vertaalslag gemaakt van de theoretische definitie van mediawijsheid naar een raamwerk waarin uiteenlopende competenties van mediawijsheid zijn omgeschreven. De bruikbaarheid van het raamwerk werd getoetst in twee pilots. In deze pilots zijn aan de hand van het raamwerk meetinstrumenten ontwikkeld voor specifieke doelgroepen en deelaspecten van mediawijsheid.

[bewerken] De rol van de bibliotheek bij het stimuleren van mediawijsheid

In opdracht van het SIOB en Stichting Bibliotheek.nl heeft Kwink Groep een advies uitgebracht over de mogelijke rol van bibliotheken op het gebied van mediawijsheid.

Het advies is gebaseerd op gesprekken die zij hebben gevoerd met deskundigen binnen en buiten de bibliotheeksector. Tevens hebben zij via desk-research recent verschenen onderzoeken betrokken bij hun advies.

[bewerken] Study on Assessment Criteria for Media Literacy Levels (2009)

A comprehensive view of the concept of media literacy and an understanding of how media literacy level in Europe should be assessed.

This study has been has been carried out for the Commission by a the EAVI Consortium ( including European Association for Viewers’ Interests (EAVI), CLEMI, Universitat Autonoma de Barcelona, Université Catholique de Louvain and the University of Tampere) in 2009.

The objective of this study was to analyse the most appropriate criteria for the assessment of media literacy levels and provide the Commission with a set of such criteria.

[bewerken] Current trends and approaches to media literacy in Europe (2007)

The study "Current trends and approaches to media literacy in Europe" has been carried out for the Commission by the Universidad Autonoma de Barcelona in the second half of 2007. The objective was to map current practices in implementing media literacy in Europe. The study covers the 27 Member States of the European Union and the EEA Member States.

[bewerken] Mediawijsheid en de e-cultuursector

Onderzoek van Virtueel Platform naar 'hoe kan mediawijsheid vanuit de e-cultuursector worden vormgegeven?'.

Wat betekent mediawijsheid voor de e-cultuursector? Levien Nordeman


[bewerken] Jongeren worden mediawijs

In deze scriptie komen twee onderzoeken aan de orde: de formatieve evaluatie van het Media Relate lesmateriaal en een inventarisatie-onderzoek van wat de participanten binnen dit lesmateriaal leren over liefde, seks en relaties uit de media. Daarnaast wordt getracht een indicatie te krijgen van de mate waarin deze jongeren mediageletterd zijn.

Onderzoek

[bewerken] Laaggeletterdheid

[bewerken] De aanpak van laaggeletterdheid door openbare bibliotheken. Kansen en mogelijkheden voor de toekomst

In opdracht van het Sectorinstituut voor Openbare Bibliotheken (SIOB) heeft Research voor Beleid onderzoek gedaan naar de mogelijkheden voor openbare bibliotheken om laaggeletterdheid aan te pakken. Uit het onderzoek, getiteld De aanpak van laaggeletterdheid door openbare bibliotheken. Kansen en mogelijkheden voor de toekomst, komt naar voren dat er kansen liggen, maar ook dat er sprake is van een aantal serieuze belemmerende factoren voor een actief bibliotheekbeleid om de aanpak van laaggeletterdheid te ondersteunen.

De onderzoekers deden op basis van hun bevindingen een aantal aanbevelingen:

  • Ontwikkel een langetermijnvisie
  • Focus meer op reguliere bezoeker van bibliotheek
  • Focus op hoger opgeleide laaggeletterde
  • Focus op jongvolwassene
  • Maak werk van beleidsmatige inbedding binnen zorg en welzijn
  • Ontwikkel visie op integrale aanpak
  • Organiseer een reguliere (lokale) overlegstructuur
  • Blijf investeren in samenwerking onderwijs
  • Profileer als kenniscentrum
  • Focus op financiering
  • Zet in op bovenlokale/provinciebrede samenwerking

Onderzoeksrapport


[bewerken] Leren

[bewerken] De leerfunctie van bibliotheken in beeld

De VOB heeft in 2009 een onderzoek laten doen om een actueel en uitgebreid overzicht te krijgen van de leerfunctie van bibliotheken. Hieronder valt ook de dienstverlening aan laaggeletterden en anderstaligen.

Er is gekeken in welke mate bibliotheken faciliteiten hebben waarmee de leerfunctie vormgegeven kan worden en wat daarbij het educatieve aanbod is. Daarbij is onderscheid gemaakt tussen het algemene aanbod en het aanbod voor speciale doelgroepen.

Dit zijn de belangrijkste conclusies uit het onderzoek:

  • Wat de faciliteiten betreft zijn nog vrij veel vestigingen in Nederland niet zodanig ingericht dat dit de leerfunctie stimuleert.
  • Bij het aanbod voor speciale doelgroepen valt op dat ouderen en dyslectici al op veel plaatsen in het land in de bibliotheek terecht kunnen voor speciaal aanbod. Dit geldt beduidend minder voor laaggeletterden en voor anderstaligen.
  • Bibliotheken werken veel samen met verschillende lokale partners en zijn dus goed verankerd in de lokale samenleving.

Onderzoeksrapport


[bewerken] Het leren zoals het is... bij volwassenen met een geletterdheidsrisico

Heel wat volwassenen zijn niet in staat om geschreven of gedrukte informatie te begrijpen of te gebruiken om persoonlijke of ruimere doelen waar te maken. Daarnaast loopt een grote groep volwassenen het risico om moeilijkheden met geschreven of gedrukte informatie te ondervinden als bepaalde vaardigheidseisen thuis, op het werk of in de maatschappij veranderen. We spreken respectievelijk over laag- en risicogeletterdheid.

Laag- en risicogeletterden zijn geen erg zichtbare groep in onze samenleving. Ze proberen hun geletterdheidsproblemen te verdoezelen, ze vermijden bepaalde geletterdheidsrijke omgevingen of trekken zich op een creatieve manier uit de slag door andere competenties sterker uit te spelen. De manier waarop ze omgaan met hun situatie getuigt echter vaak van een groot leervermogen.

Maar eigenlijk weten we weinig over hoe laag- en risicogeletterden zelf tegen leren aankijken. Hoe leren ze in informele contexten doorheen het dagelijkse leven? Wat motiveert hen om al dan niet bij te leren? Wanneer vinden ze de weg naar meer formele vormen van volwasseneneducatie? Welke drempels ondervinden ze daarbij?

Dit OBPWO-rapport verschaft inzicht in de ‘lived experiences’ van de laag- en risicogeletterden zelf. Daartoe werden 60 diepte-interviews met laaggeletterden afgenomen. Tegelijk presenteren we reflecties van verschillende professionals die betrokken zijn bij de problematiek. Zij reflecteerden in een reeks focusgroepen op de resultaten van de interviews. Tot slot gaan we na in welke mate deze bevindingen stroken met wat we leren uit de recente Europese Enquête Volwasseneneducatie 2008 (Adult Education Survey).

Enkele bevindingen uit dit rapport:

  • De ontvankelijkheid van volwassenen om buiten een georganiseerde context te leren is vrij hoog. Dit is het geval voor alle leeftijdsgroepen en wordt nauwelijks beïnvloed door het hebben van jonge kinderen.
  • ICT en internet worden door volwassenen met een geletterdheidsrisico het meest gebruikt als tools om op informele wijze te leren, samen met het gebruik van boeken, vaktijdschriften, . Laaggeletterden kijken meer dan gemiddeld naar de televisie maar gebruiken audiovisuele media niet doelgericht om bij te leren. Vaak worden deze media zelfs gebruikt om gedrukte en geschreven informatie en de daarmee samenhangende geletterdheidstaken te vermijden. Tegelijk bieden deze media wel kansen om laaggeletterden te sensibiliseren.
  • Laaggeletterden ervaren het gebruik van media, boeken, kranten, tijdschriften, . zonder bijkomende begeleiding vaak niet als een manier om erg efficiënt te leren. De directe sociale omgeving (familie, vrienden, collega's, .) is steeds erg betrokken bij de leerprocessen van laaggeletterden.
  • Laaggeletterde volwassenen participeren aan formele leeractiviteiten in hoofdzaak omwille van persoonlijke interesse. Er is geen uitgesproken of eenzijdige belangstelling voor certificering, al zien vooral jongere laaggeletterden wel de meerwaarde van een certificaat of diploma voor de arbeidsmarkt.
  • Wanneer volwassenen onvoldoende taal- of rekenvaardigheden hebben om een probleem op te lossen, richten zij zich op hun directe en vertrouwde omgeving. Ook als ze leren aan de hand van tools (handleidingen, Internet, pc, boeken, .) - wat relatief vaak gebeurt - prefereren ze een vorm van instructional scaffolding. Deze externe ondersteuning leidt soms tot een afhankelijkheidssituatie: zonder de begeleidende derde valt het leerproces stil.
  • Bij vormingsactiviteiten voor laaggeletterde volwassenen is het belangrijk dat leerinhouden vertrekken vanuit eigen ervaringen, levensechte contexten en aansluiten bij eigen behoeften en interesses. Er moet rekening gehouden worden met een zekere mate van ervaringsconcentratie: laaggeletterde volwassenen hebben veel ervaringen, maar niet noodzakelijk een grote diversiteit aan ervaringen.
  • Om educatief aanbod voor laaggeletterden voldoende leefwereldgericht te maken, moet de aanbodsverstrekker kunnen vertrekken van een ontwerpgerichte invalshoek (en geen beheersingsgerichte). Dit is binnen de basiseducatie niet altijd ten volle mogelijk omwille van kenmerken (zoals assessment) die door laaggeletterden als zeer schools kunnen gepercipieerd worden.
  • Het ontbreken van de (juiste) informatie(kanalen) om tot participatie aan levenslang leren te komen, omschrijven we als informationele barrières. Het zoeken van informatie over leermogelijkheden wordt sterk bepaald door de leeftijd (hoe ouder, hoe minder men informatie zoekt) en de werkstatus. Vooral volwassenen in niet-kennisintensieve jobs lijken weinig op zoek naar georganiseerde leermogelijkheden, hetgeen erop duidt dat dit beroepstype weinig stimulerend werkt om de opleidingsmarkt te verkennen.
  • Ook het hebben van een geletterdheidsrisico toont een verband met het zoeken naar leermogelijkheden. Uit de AES-data blijkt dat risicogeletterden niet alleen minder zoeken naar leermogelijkheden, maar ook minder succesvol zijn in het vinden van leermogelijkheden. Tegelijk betekent geïnformeerd zijn over leermogelijkheden zeker geen garantie tot deelname.
  • We stellen vast dat laaggeletterden (bijgevolg) ook weinig vertrouwd zijn met de educatieve aanbieders en de structurele en beleidsmatige kenmerken van levenslang leren. Ze grijpen voornamelijk terug naar hun eigen initiële schoolervaringen om hun eventuele participatie te kaderen.


[bewerken] Specifieke doelgroepen

[bewerken] Anders-naar-de-bib

Bibliotheekmedewerkers voelen zich vaak wat onwennig in de concrete omgang met mensen met een handicap of een ontwikkelingsstoornis. Het ligt dan ook niet voor de hand een groep bezoekers met een handicap rond te leiden in de bib. Dat ondervond ook de bibliotheek van Gent, die in de loop van 2000 bij SIG aanklopte op zoek naar informatie over handicap en naar concrete adviezen over hoe je dergelijke bezoeken aanpakt. Een rondvraag bij andere bibliotheken bracht dezelfde behoefte aan het licht. Er bleek dus een algemene nood aan een soort handleiding om bezoekers met een handicap rond te leiden in de bibliotheek.

De resultaten van dit onderzoek zijn nog steeds beschikbaar als website en gedrukte handleiding, met als titel 'Anders-naar-de-bib. Bezoek op maat van personen met een handicap of ontwikkelingsstoornis'.

Persoonlijke instellingen